November 2026

Kleine scherptediepte:

Scherpte is belangrijk in fotografie. Maar net zo belangrijk is wat níét scherp is.

Bij deze foto-opdracht ga je bewust werken met een kleine scherptediepte. Dat betekent: een groot diafragma, een dun scherptevlak en een zachte, vervaagde achtergrond.

Dit is één van die foto-opdrachten waarmee je direct verschil ziet in je beelden.

Wat is het doel?

Je wilt één detail scherp maken en de rest van het beeld laten vervagen.

Dat kan bijvoorbeeld zijn:

  • Een bloem met een zachte achtergrond

  • Een oog in een portret

  • Een detail van een object

  • Een druppel op een blad

  • Een hand die iets vasthoudt

Door de achtergrond onscherp te maken, trek je alle aandacht naar je onderwerp.

Welke instelling gebruik je?

Gebruik een groot diafragma, bijvoorbeeld:

  • f/1.8

  • f/2

  • f/2.8

Hoe kleiner het f-getal, hoe kleiner je scherptediepte.

Daarnaast helpt het om:

  • Dicht bij je onderwerp te fotograferen

  • Je onderwerp los van de achtergrond te plaatsen

  • Een langere brandpuntsafstand te gebruiken

Al deze factoren versterken het effect.

Waar moet je op letten?

Een kleine scherptediepte vraagt precisie.

Je scherpstelpunt moet exact goed liggen. Zeker bij portretten wil je dat het oog scherp is.

Let ook op:

  • Afstand tussen onderwerp en achtergrond

  • Storende lichte vlekken in de onscherpte

  • Of de onscherpte iets toevoegt aan je beeld

Onscherpte moet ondersteunend zijn, niet rommelig.