Kleine scherptediepte:
Scherpte is belangrijk in fotografie. Maar net zo belangrijk is wat níét scherp is.
Bij deze foto-opdracht ga je bewust werken met een kleine scherptediepte. Dat betekent: een groot diafragma, een dun scherptevlak en een zachte, vervaagde achtergrond.
Dit is één van die foto-opdrachten waarmee je direct verschil ziet in je beelden.
Je wilt één detail scherp maken en de rest van het beeld laten vervagen.
Dat kan bijvoorbeeld zijn:
Een bloem met een zachte achtergrond
Een oog in een portret
Een detail van een object
Een druppel op een blad
Een hand die iets vasthoudt
Door de achtergrond onscherp te maken, trek je alle aandacht naar je onderwerp.
Gebruik een groot diafragma, bijvoorbeeld:
f/1.8
f/2
f/2.8
Hoe kleiner het f-getal, hoe kleiner je scherptediepte.
Daarnaast helpt het om:
Dicht bij je onderwerp te fotograferen
Je onderwerp los van de achtergrond te plaatsen
Een langere brandpuntsafstand te gebruiken
Al deze factoren versterken het effect.
Een kleine scherptediepte vraagt precisie.
Je scherpstelpunt moet exact goed liggen. Zeker bij portretten wil je dat het oog scherp is.
Let ook op:
Afstand tussen onderwerp en achtergrond
Storende lichte vlekken in de onscherpte
Of de onscherpte iets toevoegt aan je beeld
Onscherpte moet ondersteunend zijn, niet rommelig.



